Fotolexicon, 10e jaargang, nr. 20 (februari 1993) (nl)Anja Krabben: Max en Ernst Büttinghausen

To refer to this article use this url: http://journal.depthoffield.eu/vol10/nr20/f01nl/en

Beschouwing

Max Büttinghausen was een professionele portretfotograaf die in eerste instantie streefde naar zakelijk succes. Zijn zoon Ernst, die was opgeleid tot kunstschilder, overtrof Max op artistiek gebied, maar miste zijn vaders ambitie om naam te maken en publiekelijk naar buiten te treden.

Van de opleiding van Max Büttinghausen is niets bekend. Hij kwam in 1873 als zesentwintigjarige naar Amsterdam en schreef zich in als fotograaf. In Duitsland is hij mogelijk bij een oudere broer, Otto Büttinghausen, die een fotoatelier had in München-Gladbach, in de leer geweest. Volgens de Amsterdamse adresboeken heeft Max pas in 1875 zijn eigen atelier. Wat hij de twee voorgaande jaren heeft gedaan is niet bekend. Misschien was hij in dienst bij een andere fotograaf. Er bestaat een visitekaartportretje uit ca. 1875 gemaakt door de fotografen 'Le Grand & Büttinghausen' in Dordrecht. Het is niet zeker of met deze 'Büttinghausen' Max bedoeld wordt. Hij heeft nooit in Dordrecht in het bevolkingsregister ingeschreven gestaan en komt ook niet voor in de adresboeken.

Ernst Büttinghausen volgde een opleiding tot kunstschilder. Hij was niet van plan fotograaf te worden. Zijn ouders dwongen hem tot deze keus op straffe van onterving, waarschijnlijk omdat zij het bedrijf na de dood van Max in de familie wilden houden. Na twee jaar onderwijs te hebben gevolgd aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam vertrok Ernst Büttinghausen naar Zürich om er lessen in fotografie te volgen, waarschijnlijk op aandringen van Max. Hoe lang hij in Zwitserland is gebleven - hij had een verblijfspas voor drie jaar - en aan welke school hij ingeschreven stond is niet bekend.

In zijn Duitse legerpas uit 1906 staat als beroep “Maler”. Waarschijnlijk had Ernst in die jaren nog hoop als schilder aan de slag te komen. Max Büttinghausen stierf echter in december 1906 en het was aan Ernst de zaak over te nemen. De schilder- en tekenkunst heeft hij alleen nog als hobby beoefend.

De reden van Max Büttinghausens komst naar Amsterdam in 1873 is niet bekend. Een jaar eerder was zijn broer Otto Büttinghausen naar Arnhem gegaan en had daar het fotoatelier van Confeld von Felbert, op de hoek van de Kerkstraat, overgenomen. Mogelijk is Max op aanraden van zijn broer naar Nederland gekomen.

Max heeft de banden met zijn vaderland nooit verbroken. Hij bezocht Duitsland regelmatig, nam een Duitse vrouw tot bruid en stuurde zijn kinderen naar Duitse kostscholen. Na de aankoop van een huis in Godesberg in 1887 woonde hij elk jaar enige tijd in Duitsland. Op die manier konden Max en zijn vrouw de Duitse nationaliteit behouden.

Max had ook in Godesberg een atelier ingericht waar hij zijn beroep kon uitoefenen. Er zijn verscheidene visitekaartportretten waar zowel de plaatsnamen Amsterdam als Godesberg op staan. Hoewel hij korte tijd in Godesberg ingeschreven was, bleef Amsterdam zijn thuisbasis waar hij de meeste tijd doorbracht. Tijdens zijn afwezigheid werd zijn atelier in Amsterdam door personeel draaiende gehouden. Zijn atelier in Godesberg, zo blijkt uit officiële stukken, verhuurde hij ook aan andere fotografen, die waarschijnlijk onder hun eigen naam werkten. Zo had van 1906 tot 1920 de Duitser Richard Kohlmann een huurcontract.

Hoewel een atelier in Utrecht gedurende de periode 1879-1881 Max Büttinghausens naam droeg en verschillende visitekaartportretjes het opschrift 'Max Büttinghausen - Amsterdam - Utrecht' vermeldden, blijkt uit niets dat Max voor korte of langere tijd zelf als fotograaf in Utrecht werkzaam is geweest. De Duitser Gerard Peter Brill stond in die jaren op hetzelfde adres als Max Büttinghausen, Catharijnesingel 39 in Utrecht, als fotograaf ingeschreven. Het kan zijn dat Max Büttinghausen het atelier huurde en Brill in zijn dienst werkzaam was.

De zoon van Max Büttinghausen, Ernst, werd in Amsterdam geboren en na vijf jaar tot Nederlander genaturaliseerd. Toch bleef ook hij in het bezit van een Duitse reispas. Hij meldde zich in 1906 aan bij het Duitse leger waar hij 'Ersatz-Reservist' werd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog wist hij uit actieve dienst te blijven dankzij de bemoeienis van Else, die de legerleiding ervan wist te overtuigen dat haar broer de enige kostwinner was van de familie Büttinghausen en dat het 'familiebedrijf' ten dode opgeschreven was wanneer Ernst zou vertrekken.

Het grootste deel van het bewaard gebleven oeuvre van Max Büttinghausen bestaat uit portretfoto's. Hij fotografeerde volgens de gangbare negentiende-eeuwse standaard, die een geringe variatie in pose en belichting inhield. Zijn foto's werden voornamelijk afgedrukt op het populaire visitekaart- of kabinetformaat. Er zijn slechts enkele portretten op groot formaat bekend. De cliëntèle was uitgebreid en gevarieerd: gewone burgers, acteurs en actrices en personen uit de betere kringen maakten er deel van uit.

Al naargelang de wens van de klant werd deze ten voeten uit of als buste geportretteerd. In het eerste geval zijn de bekende atelierattributen aanwezig: een beschilderde achtergronddoek, een hekje om tegen aan te leunen, een stoel met rechte rug waar de klant kaarsrecht op poseerde of een krukje. De portretbustes, soms in ovaalvorm afgedrukt, hebben een egaal witte achtergrond. Hoewel bij deze portretten de aandacht geheel op het gezicht van de zitter is geconcentreerd, trachtte de fotograaf niet het karakter of de gemoedstoestand van de poseur weer te geven. Uit de bewaard gebleven familieportretten blijkt dat Max Büttinghausen zijn kinderen op dezelfde starre manier portretteerde.

De portretten van Ernst Büttinghausen zijn technisch geslaagder te noemen dan die van zijn vader. Ze maken de indruk dat er meer tijd aan werd besteed, zowel aan de opname als aan de afwerking. Gaf Max de klant een standaardbehandeling, bij Ernst werden de belichting, de pose van het model en de hoek van waaruit hij fotografeerde aangepast aan de situatie. De populariteit van het visitekaartportret was voorbij. Ernst drukte vooral af op grotere formaten en experimenteerde met verschillende papiersoorten en technieken. Ondanks de zorg is het resultaat niet altijd geheel geslaagd. Veel portretten doen door de starheid van het model nog sterk denken aan de visitekaartportretten van Max. Zijn beste portretten zijn die welke hij van vrienden heeft gemaakt. Het zijn boeiende portretten met een ontspannen zitter en een mooie belichting.

Er zijn ook opnamen van Ernst Büttinghausen bekend van een vrouw die steeds anders gekleed is. Het is niet duidelijk of het om een professioneel model gaat. Tevens is niet bekend of de foto's voor modedoeleinden zijn gebruikt. In eerste instantie legde Ernst zich vooral toe op de portretfotografie, in de jaren twintig begaf hij zich ook op andere terreinen. In een reclamefolder uit 1925 bood hij zijn diensten aan ten behoeve van handel, industrie en reclame voor het maken van opnamen van gebouwen en interieurs en van reproducties van schilderijen, documenten en kunstvoorwerpen. Uit zijn nagelaten werk blijkt dat hij ook daadwerkelijk dergelijke foto's heeft gemaakt. Er zitten opnamen tussen van interieurs van fabrieken en kantoren, foto's van zilverwerk en gebruiksvoorwerpen en zwart-wit reproducties van schilderijen. Het zijn technisch goede foto's. Of deze foto's in catalogi als advertentiemateriaal of op een andere manier zijn gebruikt, is niet bekend. Ook zijn er enkele door Ernst gemaakte stadsgezichten bewaard gebleven.

Hoewel Max adverteerde met 'photographique artistique' had hij eerder een zakelijk dan een artistiek talent. Hij streefde ernaar een goedlopende en bekende zaak op te bouwen.

In 1877 nam hij deel aan de Internationale Tentoonstelling van Photographie in Arti et Amicitiae. Zijn deelname aan deze door de Amsterdamsche Photographen-Vereeniging georganiseerde expositie zou er op gericht kunnen zijn geweest een grotere naamsbekendheid te krijgen en meer klanten te trekken.

De tentoonstelling in Arti et Amicitiae stond open voor alle leden van de APhV. Was er bij de tentoonstelling die in 1874 werd gehouden nog sprake van enige pretentie en wilde men “zooveel mogelijk artistieke photographiën bijeen brengen”, in 1877 waren er geen beperkingen. Ditmaal waren visitekaartportretten, kabinetfoto's en geretoucheerde foto's ook welkom. Max Büttinghausen won een bronzen medaille in de categorie portretten. Uit de catalogus van Arti et Amicitiae blijkt dat zijn inzending bestond uit zes portretten op groot formaat, zestig visitekaartportretjes, zestien kabinetfoto's en vier portretten 'op heele plaat'.

Max Büttinghausen had zich ten doel gesteld om in Amsterdam een behuizing te scheppen, die zijn status als succesvol fotograaf weerspiegelde.

Daartoe kocht hij tussen 1894 en 1899 vijf aan elkaar grenzende panden aan het Spui en de Voetboogstraat. Nog voor hij het laatste huis in 1899 in zijn bezit kreeg, gaf hij in 1897 aan architect Gerrit van Arkel opdracht een monumentaal pand te ontwerpen dat op de plaats van de vijf huizen moest verrijzen. Een jaar later - in 1900 - werden de oude panden gesloopt en verrees het Gebouw Helios. Het ontwerp van Gebouw Helios is een voorbeeld van sobere Art Nouveau. Een herhaaldelijk terugkerend motief in de versieringen is de helianth (zonnebloem). In de gevel werd een tegeltableau opgenomen met de tekst “M. Büttinghausen * fotografie * artistique”. Het ontwerp van Gerrit van Arkel werd in 1900 op de Wereldtentoonstelling te Parijs bekroond met een bronzen medaille.

Na het overlijden van Max werden het gebouw en de inventaris beschreven door een makelaar ten behoeve van de verkoop. Het atelier was op de bovenste verdieping. Een glazen dak zorgde voor natuurlijke belichting. Buiten het atelier stonden de volgende ruimten ten dienste van de fotografie: een ontvangstruimte, een werkkamer waar de vergroter stond, een donkere kamer en spoelkamer, een retoucheerkamer en een lijstenkamer. De inventarislijst gunt ons een kijkje in het atelier van Max. Er stonden meubelstukken waaraan of waarop de klant kon poseren: acht stoelen, drie fauteuils, twee banken, een canapé, vier tafels, een mahoniehouten schrijfbureau, een kindertafel met schapenvacht, een kinderstoel en een bustestoel. Als achtergrond kon de klant kiezen uit zeven draperieën, twee gordijnen en zeven achtergronddoeken, een 'Schwarzwalderachtergrond' wordt met name genoemd. Tevens vermeldt de inventarislijst vier hoofdstellen, een balustrade, een koperen bloempot op standaard en een houten zuil met bloempot.

Het gebouw was groot genoeg om naast het bedrijf ook plaats te bieden aan het gezin Büttinghausen. Bovendien werden er nog ruimten aan derden verhuurd.

Ernst had weinig van het zakelijk instinct van zijn vader. Hij trad weinig naar buiten en heeft voor zover bekend nooit aan tentoonstellingen deelgenomen. De zaken gingen vaak slecht. Mogelijk kwam dit mede doordat Ernst niet vrijwillig voor het vak gekozen had. In brieven geschreven door Else Büttinghausen aan haar broer en aan anderen wijt ze het aan het karakter van Ernst en noemt hem lui en laks.

Else beschrijft zichzelf als voortvarend en ambitieus en ze betreurt het dat ze de kennis mist om de zaak geheel van Ernst over te nemen en iets te maken van het atelier. De samenwerking tussen broer en zus Büttinghausen verliep stroef, er was veel onenigheid. In 1914 ging Else op zoek naar ander werk. Vanaf dat moment was ze afwisselend in Amsterdam, Godesberg (bij haar moeder) of in Den Haag waar ze werk had gevonden als gouvernante. Wanneer de zaken slecht gingen, wilde neef Joseph Büttinghausen, die een goedlopend fotoatelier aan de Herengracht 150 in Amsterdam had, nog wel eens helpen. Zo schreef Ernst in juli 1920 aan Else dat de zaken die maand goed gingen. Joseph Büttinghausen had Ernst bij klanten aanbevolen en liet hem nabestellingen afwerken.

Ondanks de vaak zorgelijke financiële situatie had Ernst Büttinghausen af en toe personeel in dienst. Zo is met name een zekere Krone bekend, die bij hem werkzaam was als operateur-retoucheur.

De foto's gemaakt door Max Büttinghausen zijn veelal albumine-, celloïdine- en kooldrukken. De grotere formaten retoucheerde hij meestal. Ernst Büttinghausen werkte met verschillende technieken, zoals de kooldruk, de bromidedruk en de platinadruk. Tevens experimenteerde Ernst met afdrukken op textiel. Ook Ernst retoucheerde zijn werk. De enige zes glasplaten die van hem bewaard zijn gebleven, zijn alle bijgewerkt. In 1925 bood hij in een reclamefolder het volgende aan: “Voor onze geachte clientèle, die iets nieuws en zeer aparts op photografisch gebied wenschen te hebben, maken wij attent op onze nieuwste specialiteit namelijk de simililitho en simili-ets.” Zijn methode van werken bij deze producten is niet bekend. Wel zijn enkele voorbeelden bewaard gebleven. Het is nauwelijks te zien dat het om een fotografisch procédé gaat; ze zien eruit als reproducties van etsen. Ernst Büttinghausen leverde tevens op bestelling ingekleurde foto's. Zijn wens om te schilderen en tekenen kon hij op deze manier nog enigszins uitleven.

Max Büttinghausen werkte als portretfotograaf op de traditionele, weinig spectaculaire manier. Zijn werk stijgt niet uit boven dat van de gemiddelde negentiende-eeuwse portretfotograaf. Wel is hij een voorbeeld van een hardwerkend fotograaf die zijn talenten optimaal benutte. Het resultaat was een vooraanstaande maatschappelijke positie en toont de mogelijkheden van een doorsnee portretatelier rond de eeuwwisseling.

Ernst' benadering van de fotografie was artistieker en zijn interesse voor de verschillende mogelijkheden van de fotografie, op het gebied van techniek en onderwerpkeuze, was groter. Enkele door Ernst gemaakte portretten zijn zeer de moeite waard. Hoewel zijn werk aanzetten te zien geeft tot een picturale richting in de portretfotografie, heeft Ernst niet de capaciteiten gehad of benut om zich in die richting krachtig te ontwikkelen, zoals bijvoorbeeld zijn Amsterdamse collega Jacob Merkelbach deed.

Waarschijnlijk voelde hij zich niet gelukkig als erfgenaam van een zakelijk en professioneel portretatelier. Had hij als vrij kunstenaar de fotografie kunnen ontdekken en beoefenen, dan was hij waarschijnlijk verder gekomen in de portretkunst. Zijn commerciële werk was degelijk en eigentijds en doet nauwelijks onder voor werk van Bernard Eilers uit de vroege jaren twintig. Ernst heeft te weinig tijd van leven gehad om zich op dit terrein tot een fotograaf van betekenis te ontplooien.