To refer to this article use this url: http://journal.depthoffield.eu/vol04/nr06/f02nl/en

Look up this photographer in fotografen.nl


Fotolexicon, 4e jaargang, nr. 6 (maart 1987) (nl)

Johannes Egenberger

Ingeborg Th. Leijerzapf

Abstract


Johannes Egenberger, kunstschilder, directeur van de Academie Minerva en fotograaf, speelde gedurende zesendertig jaar een stimulerende en vooraanstaande rol in het Groningse kunstleven. Hij was de 'hoffotograaf van de gegoede Groningse burgerij en met name van de hoogleraren van de Groningse universiteit in de jaren zestig van de negentiende eeuw.

Biografie


.


1822

Joannes Henricus Egenberger wordt op 28 april geboren als zoon van Constant Egenberger, kapitein der infanterie in Arnhem, en Hendrica van Reeken.

ca. 1838-‘40

Egenberger begint zijn opleiding bij zijn oom, de Belgische miniatuurschilder Ludovicus Henricus de Fontenay. Deze is gehuwd met Constance Egenberger, een zuster van de vader van Johannes.

1840-‘48

Aan de Koninklijke Academie te Amsterdam studeert hij verder onder leiding van de historieschilder J.W. Pieneman.

1848-‘57

Na de Academie gaat Egenberger voor onbepaalde tijd naar Parijs. In de jaren vijftig werkt hij als kunstschilder enige tijd samen met Barend Wijnveld jr. Op bestelling van J. de Vos Jzn. schilderen zij samen het belangrijkste deel van de 'Historische Galerij' voor het Gemeentelijk Museum van Amsterdam (thans Stedelijk Museum), een cyclus die de gehele vaderlandse geschiedenis omvat vanaf het jaar 40 na Chr. tot 1861. Een van de bekendste schilderijen uit deze cyclus is de Heldendood van Jan van Schaffelaar. In 1854 schilderen zij samen voor het Haarlemse raadhuis een groot historiestuk Kenau Simons Hasselaar op de wallen van Haarlem (thans in het Frans Halsmuseum).

Egenberger geeft enige jaren les aan de Koninklijke Academie in Amsterdam.

1857

Hij wordt door het bestuur van de Academie van Beeldende Kunsten en Zeevaartkunde 'Minerva' naar Groningen gehaald om als directeurhoofdonderwijzer de leiding van dit instituut op zich te nemen. Hij gaat lesgeven in tekenen, schilderen en boetseren. H.W. Mesdag behoort onder meer tot zijn leerlingen. Van 1861 tot 1866 heeft Mesdag zitting in het bestuur van 'Minerva'.

1863

Egenberger heeft belangstelling voor fotografie opgevat. In december vraagt hij bij B en W van Groningen een vergunning aan om in de 'tuin van Gerrink', buiten de Herepoort, aan de Buitencingel of Singelweg (later Stationsweg) een fotografisch atelier te mogen bouwen. Hij wil een houten gebouw van twee verdiepingen laten neerzetten: beneden een woonkamer en keuken, boven een atelier. Hij krijgt de vergunning met de bepaling dat de onderste verdieping in steen moet worden opgetrokken.

1864

Op 17 januari opent Egenberger zijn atelier. Hij blijft aanvankelijk nog verbonden aan de Academie. In maart verhuist hij uit zijn woning in de Oude Kijk in 't Jatstraat, naast de Academie, naar zijn atelier. In november vraagt en krijgt hij ontslag bij de Academie. Hij gaat zich volledig aan de fotografie wijden.

Hij krijgt de opdracht tweeëntwintig portretten van Groningse hoogleraren te maken, die bij boekhandel J.B. Wolters ter gelegenheid van het 250-jarig bestaan van de universiteit worden uitgegeven als album Professores Academiae Groningae.

In december wordt in Leeuwarden aan het Groot Schavernek E 79 een fotoatelier geopend, waaraan de naam van Johannes Egenberger verbonden is. Dit atelier wordt beheerd door Jan Hoen, de verloofde van Egenbergers nicht Louise de Fontenay. Op het adres Groot Schavernek staan vanaf 25 november ingeschreven Jan Hoen, Louise de Fontenay, haar moeder Constance de Fontenay-Egenberger en de uit Eberfeld in Duitsland afkomstige 'photografist' Ludwig Stütting.

1865

In april verzoekt Egenberger het bestuur van de Academie Minerva om weer in zijn oude functie te mogen terugkeren. Hij wordt opnieuw aangesteld op voorwaarde dat hij zich op dezelfde wijze inzet voor het onderwijs als in zijn eerste jaren aan de Academie. Hij geeft het fotograferen niet op; er blijven portretfoto's van zijn hand verschijnen.

Op 21 april treden Jan Hoen en Louise de Fontenay in het huwelijk. Jan Hoen wordt in de huwelijksakte 'photografist' genoemd.

De zakelijke relatie tussen Johannes Egenberger en Jan Hoen is eind mei beëindigd. Het fotoatelier Egenberger & Co blijft nog bestaan, waarschijnlijk tot het eind van het jaar. In oktober vertrekt Ludwig Stütting, in januari 1866 vertrekt Jan Hoen met zijn vrouw en zijn schoonmoeder.

1869

Egenberger zendt foto's in naar een fototentoonstelling in het Groningse Academiegebouw, echter te laat om in aanmerking te komen voor een beoordeling.

1868-‘70

Ter nagedachtenis aan de slag bij Heiligerlee in 1568 is er een prijsvraag uitgeschreven voor een ontwerp van een monument. Egenbergers ontwerp wordt door de jury als winnend ontwerp gekozen: een geknotte piramide waarop een urn staat. Als blijk van waardering wordt hem door Z.M. Willem III het ridderkruis van de Eikenkroon toegekend.

Egenbergers ontwerp wordt door de Antwerpse beeldhouwer J. Geefs uitgevoerd en in 1870 onthuld.

1877

Het schilderen van historiestukken behoort voor Egenberger van nu af tot het verleden. Hij legt zich uitsluitend toe op portretschilderen.

1896

Egenberger treedt af als directeur van de Academie Minerva.

1897

Egenberger overlijdt op 14 mei te Utrecht.


Beschouwing


Johannes Egenberger werd in het jaar van zijn overlijden door zijn stadgenoot Mr. J.A. Feith „uiterlijk en innerlijk een gentleman" genoemd. Feith roemde niet zozeer zijn prestaties op schilderkunstig gebied als wel zijn verdiensten voor de stad Groningen: hij vernieuwde en stimuleerde het kunstonderwijs in Groningen, zowel door zijn bezielende leiding van de kunstacademie als door zijn inzet voor het kunstlievend genootschap Pictura. Bij het organiseren van historische optochten, het maken van tentoonstellingen of het beoordelen van bepaalde verfraaiingen in de stad, werd Egenberger altijd betrokken. Bij al zijn lofuitingen over Egenberger verzuimde Feith echter zijn fotografie te noemen.

Johannes Egenberger is een van de vele kunstschilders die zich halverwege de negentiende eeuw tot de fotografie 'bekeerden'. Redenen voor deze ommezwaai zijn niet bekend, evenmin als voor zijn terugkeer naar de Academie en de schilderkunst. Zeker is dat de historieschilderkunst - naast de portretkunst Egenbergers voornaamste specialiteit - zich niet langer in grote populariteit mocht verheugen. De moeilijke economische situatie voor portretkunstenaars in die periode door de zware concurrentie die zij van de fotografie te verduren hadden, kan Egenbergers keus bepaald hebben. Zijn salaris van de Academie was bovendien slechts een karig inkomen. Behalve deze motieven van economische aard is het eveneens denkbaar dat de aantrekkingskracht van het moderne, maar ook geheimzinnige medium fotografie een doorslaggevende reden voor zijn verandering van werkkring is geweest.

Egenberger begon zijn opleiding in de schilder- en tekenkunst bij een miniatuurschilder, juist in de jaren dat de uitvinding van de fotografie openbaar gemaakt werd. De komst van de fotografie zal hem zeker niet ontgaan zijn, temeer daar deze vooral enige beroering teweeg bracht onder de voor het grote publiek werkende portretschilders, waartoe de miniatuurschilders behoorden. Egenberger koos in het vervolg van zijn opleiding echter een geheel andere richting in de schilderkunst onder de inspirerende leiding van J.W. Pieneman: de historieschilderkunst. Met verve sloeg hij deze richting in en niets wees er op dat hij zich ooit tot de fotografie zou wenden.

Ondanks zijn aanvankelijke schilderkunstige successen, vooral in de samenwerking met Barend Wijnveld, heeft Egenberger zich toch niet uitdrukkelijk als kunstschilder gemanifesteerd. Hij raakte door zijn pedagogische talenten steeds meer betrokken bij het onderwijs. Op dat gebied verwierf hij zich blijkbaar een zo goede naam, dat het bestuur van de Groningse Academie Minerva hem uitnodigde de leiding van deze Academie op zich te nemen.

Egenbergers aanvraag voor een bouwvergunning voor een fotografisch atelier in december 1863 verried voor het eerst zijn affiniteit met fotografie. Reeds een maand later opende hij zijn atelier. „Een vrij gelegen, ruim, smaakvol ingerigt atelier, waarin 't volle licht, kunstzin en bekwame handen zamenwerken om iets goeds, iets schoons te leveren", luidde het commentaar in de Groninger Courant van 17 januari 1864. In dezelfde krant werd een maand later lof geuit over Egenbergers kwaliteiten als fotograaf; met name de compositie, tonaliteit, poses, uitdrukking en de enscenering werden als sterke punten genoemd.

Op 11 januari 1865 adverteerde Egenberger in de Groninger Courant dat men bij hem alle soorten fotografie kon bestellen, ook „microscopische portretten, gekleurde aquarelle photographiën". De visitekaartportretjes die hij in grote aantallen vervaardigde, waaronder de hooglerarenportretten voor het album Professores academiae Groningae - alle in albuminedruk - zijn echter de enige getuigen van zijn kunnen. Zoals de meeste portretfotografen van zijn tijd, maakte hij portretten ten voeten uit met geschilderde achtergronden en ateliermeubilair. Hij werkte echter ook regelmatig met de techniek van vignetteren: op de camera plaatste hij op enige afstand van de lens een vignet, waardoorheen hij het zittende model fotografeerde. Het vignet was een meestal vierkant stuk karton of metaal met een gat erin; de randen van het gat waren rafelig of gekarteld. Het resultaat van het fotograferen door een vignet was een portretbuste met een vervagende omgeving overgaand in een neutrale achtergrond. De in Londen woonachtige Amerikaanse daguerreotypist John Mayall introduceerde het gevignetteerde portret op de Great Exhibition in het Londense Christal Palace in 1851.

Egenbergers hooglerarenportretten zijn net als zijn visitekaartportretjes vormgegeven, zowel gevignetteerd als ten voeten uit. Zijn portretten zijn steeds vakkundig en overzichtelijk gecomponeerd, goed uitgelicht en scherp weergegeven, maar vertonen weinig variatie en durf in de poses.

Johannes Egenberger was als kunstenaar, als directeur en hoofdonderwijzer van de Academie en als fotograaf het prototype van de plaatselijke autoriteit, die in het kunstleven van zijn stad veel invloed had. Men kan hem vergelijken met Jacob Olie in Amsterdam: een actieve, maar bescheiden persoon, geen topkunstenaar, maar zeer gerespecteerd om zijn smaak en ambachtelijke kwaliteiten. Als portrettist was hij de Groningse equivalent van de beste portretfotografen in zijn tijd en in het bijzonder van de portrettisten die in andere steden hooglerarenportretten maakten, zoals Johan H. Hoffmeister, Bernard Bruining en Jan Goedeljee in Leiden en Henri Pronk in Utrecht. Het mag geen toeval heten dat de betere fotografen in deze eerste decennia van de fotografiegeschiedenis evenals Egenberger van huis uit kunstenaars waren die een goede ambachtelijke opleiding hadden genoten. Met elkaar waren zij verantwoordelijk voor het zeer respectabele peil van de portretfotografie in ons land in deze periode.

Documentatie


Secundaire bibliografie

J.A. Feith, J.H. Egenberger, in Groningsche Volksalmanak (over het jaar 1897), Groningen 1898, p. 90-95.

A.T. Schuitema Meyer, Fotografen in het 19e eeuwse Groningen, in Groningse Volksalmanak (over het jaar 1960), Groningen 1961, p. 139-143, 146, 151.

Geraldine Norman (ed.), Marius, Dutch painters of the 19th century, England (Antique Collectors' Club) 1973, p. 36, 38.

W. Dolk, Leeuwarden gephotographeerd, Leeuwarden (De Tille) z.j. (ca. 1975), ongepagineerd.

W.F. Renaud, Een oudvaderlandse Kiekvogel, in Bijdragen en Mededelingen van het Rijksmuseum voor Volkskunde 'Het Nederlands Openluchtmuseum' 41 (1978) 1, p. 1-5.

Ingeborg Th. Leijerzapf (red.), Fotografie in Nederland 1839-1920, Den Haag (Staatsuitgeverij) 1978.

Pieter A. Scheen, Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1880, Den Haag (Pieter A. Scheen bv) 1981, p. 134.

Tentoonstellingen

1869 (g) Groningen, Academiegebouw, Internationale tentoonstelling van 'photografiën, natuurzelfdruk en kleurendruk'.

Bronnen

Groningen, Gemeentearchief.

Assen, Drents Museum, drs. J J . Hey, documentatie.

Leiden, Prentenkabinet, bibliotheek en documentatiebestand (o.a. ongepubliceerd werkstuk van Reina de Vries).

Collecties

Assen, Drents Museum.

Den Haag, Rijksdienst Beeldende Kunst (coll. Hartkamp).

Groningen, Gemeentearchief.

Groningen, Rijksarchief.

Groningen, Universiteitsmuseum.

Leiden, Prentenkabinet van de Rijksuniversiteit.

Auteursrechten

Het fotografisch oeuvre van Johannes Egenberger is vrij van auteursrechten. De reproductierechten berusten bij de instellingen die de foto's beheren (zie onder Collecties).