Fotolexicon, 12e jaargang, nr. 25 (april 1995) (nl)Frank van der Stok: Piet van Leeuwen

To refer to this article use this url: http://journal.depthoffield.eu/vol12/nr25/f03nl/en

Beschouwing

Het oeuvre van Piet van Leeuwen vormt stilistisch geen herkenbare eenheid. Het beweegt zich tussen de uitersten van traditionele documentaire fotografie en fantasievol geënsceneerde fotografie. Met het laatste is hij echter het meest naar buiten getreden en bekend geworden.

Van Leeuwen begon met zijn eerste ensceneringen begin jaren zeventig, toen hij voor tijdschriften als Avenue, Panorama en Libelle werkte. Naast mode- en journalistieke reportages verzorgde hij de culinaire fotografie. Hiervoor construeerde hij tableaus waarin etenswaar de hoofdcomponent vormde en fotografeerde deze vervolgens. Zijn artdirectors (onder anderen Hans Ducro van Panorama en Dick de Moey van Avenue) stelden hem in de gelegenheid de voor die tijd ongebruikelijke vorm van fotografie verder te ontwikkelen. Op dat moment hadden slechts weinigen in Nederland zich op het terrein van de geënsceneerde fotografie begeven. Deze richting werd pas begin jaren tachtig populair bij een breed kunstminnend publiek. Wel waren er kunstenaars uit de popart-sfeer rondom Daan van Golden en conceptueel georiënteerde kunstenaars als Ger van Elk en Pieter Laurens Mol, die met hun werkwijze en beeldtaal een zekere invloed hebben gehad op de ontwikkeling van de geënsceneerde fotografie. Deze tijdgenoten zijn echter in weinig opzichten met Van Leeuwen te vergelijken. Los van zijn eigen beeldende inbreng was Van Leeuwen een belangrijke promotor van de geënsceneerde fotografie. In zijn in 1977 opgerichte Van-galerie in Haarlem bracht hij een aantal tentoonstellingen van (inter)nationale geënsceneerde fotografie nog voordat er in Nederland op grotere schaal exposities aan het relatief jonge fenomeen zouden worden gewijd. Ook concipieerde hij in 1983 de tentoonstelling Geconstrueerd voor foto's, waarbij de geënsceneerde of geconstrueerde fotografie ruimschoots was vertegenwoordigd.

Het werk van Van Leeuwen is in de jaren tachtig incidenteel te zien geweest temidden van het werk van fotokunstenaars als Rommert Boonstra, Henk Tas, Lydia Schouten, Gerald van der Kaap en Wink van Kempen - capita selecta van de geënsceneerde fotografie in Nederland. Zijn werk onderscheidde zich evenwel van dat van anderen door het ontbreken van een eclectisch, uit bestaande beelden puttend idioom, waaraan veel van de geënsceneerde beeldtaal te herkennen is. Dit vormt namelijk een wezenlijk kenmerk van de Amerikaanse postmodernistische kunst, die het ontstaan van de geënsceneerde fotografie in Nederland sterk heeft beïnvloed. Weliswaar refereerde Van Leeuwen zo nu en dan aan de bestaande beeldcultuur, maar deed dat niet zo veelvuldig als de geënsceneerde fotografen dat deden in hun hoogtijdagen. Ondanks de onvoorspelbaarheid van stijl, vorm of inhoud, droegen zijn geconstrueerde fotowerken doorgaans een onmiskenbaar persoonlijke signatuur.

Van Leeuwen heeft slechts korte tijd scholing genoten in zijn vakgebied. De opleiding aan de MTS voor Fotografie en Fototechniek hield hij voor gezien, toen bleek dat zijn vaardigheid op technisch gebied nogal te wensen overliet. Hij had meer oog voor de creatieve aspecten van de fotografische praktijk. Dat kwam ook tot uitdrukking in zijn cijfers; hij scoorde extreem laag en moest derhalve vertrekken.

In deze korte periode aan de MTS (1964-1965) kreeg Van Leeuwen onder anderen les van portretfotograaf Hugo Liebe. Tijdens de opleiding ontmoette hij collega-fotograaf Wout Berger, met wie hij in een tijdelijk samenwerkingsverband in 1969 de spraakmakende Textilia- Texpress modeprijs won (andere mededingers waren Jean Ruiter en Paul Huf). De samenwerking met Berger was echter van korte duur. In datzelfde jaar vestigde Van Leeuwen zich als freelance beroepsfotograaf in Haarlem. Voor bladen als Avenue en Panorama verzorgde hij zowel foto's op het gebied van mode en 'haute cuisine' als allerlei thematische journalistieke reportages. De praktijkervaring vormde zijn verdere 'leerschool'.

In de jaren vijftig en zestig werd Van Leeuwen sterk geboeid door de foto's in de jaarlijks verschijnende Popular Photography Annuals. Deze uitgaven waren sterk geënt op de zogenaamde 'subjektieve fotografie', een creatieve vorm van fotografie, die in de jaren vijftig werd geformaliseerd door de tentoonstellingen en publicaties van professor Otto Steinert aan de Folkwangschule in Essen (Duitsland). Ook raakte Van Leeuwen gefascineerd door de stillevens van Irving Penn, van wie regelmatig foto's in het tijdschrift Harper's Bazaar verschenen. Op het gebied van de modefotografie waren Art Kane, Guy Bourdin en Harry Peckinotti zijn meest inspirerende voorbeelden.

Begin jaren zeventig begon Van Leeuwen conceptueel werk te maken, veelal in de vorm van fotosequenties. De opeenvolging van beelden maakte het mogelijk abstracte begrippen als ruimte, tijd, proces, verandering en waarneming te suggereren. In de vorm van een aantal momentopnamen is bijvoorbeeld het verloop van de verschillende verbouwingsstadia van zijn huis in Haarlem goed zichtbaar. Elders in Nederland brachten kunstenaars/fotografen als Michel Szulc- Krzyzanowski, Paul den Hollander en Jan Dibbets eveneens de sequentiële vorm in de praktijk.

Andere conceptuele noties bracht Van Leeuwen tot uitdrukking in een serie foto's die opzettelijk, maar ogenschijnlijk per ongeluk waren ontstaan tijdens het filmtransport van het (nieuwe) filmrolletje in de camera. Met de rommelige en onesthetische composities die zo ontstonden, koppelde Van Leeuwen niet alleen het toevalselement aan de fotografie, maar ook de voor de conceptuele kunst typerende gedachte dat het idee of de inhoud van groter belang is dan haar vormgeving of verpakking. Vanaf de tweede helft van de jaren zeventig getuigt het materiaalgebruik en de thematiek in zijn werk van een zekere verwantschap met de Arte Povera. Deze Italiaanse variant van de conceptuele kunst stelde een sterke verbondenheid met natuurlijke materie centraal. Naturalia en uit natuurlijk materiaal samengestelde voorwerpen als dakpannen en karton, vormen regelmatig de hoofdbestanddelen of decorstukken in Van Leeuwens geënsceneerde fotocollages.

Piet van Leeuwen verdiept zich voortdurend in de geschiedenis van de fotografie, met inbegrip van alle verschillende toepassingsmogelijkheden van het fotografisch procédé. Tijdens zijn onderzoekingen stuitte hij op de historische figuur Giovanni Battista della Porta, een Napolitaan die in het midden van de zestiende eeuw het principe van de camera obscura, de voorloper van de fotocamera, ter lering en vermaak demonstreerde aan leden van een door hemzelf opgericht geheim genootschap. Volgens de overlevering nodigde hij het selecte groepje mensen uit voor het bijwonen van een schouwspel, waaraan hij zelfs olifanten te pas liet komen. In een 'donkere ruimte' kon het publiek het buitenspektakel aanschouwen dat Della Porta had geregisseerd. De taferelen werden via een in de muur aangebrachte lens op een tegen de achterwand gesitueerde conische spiegel 'geprojecteerd', zodat de door de lens ontstane omkering van het beeld weer ongedaan werd gemaakt. Men kreeg levende beelden 'geprojecteerd' en bovendien verkreeg men inzicht in het onderliggende, natuurkundige principe. Van Leeuwen voelde een grote geestverwantschap met deze uitzonderlijke artiest. Aan Della Porta droeg Van Leeuwen in 1986 een reeks werken op. Kort nadat hij begon te fotograferen kreeg Van Leeuwen een opmerkelijke belangstelling voor composities, waarin etenswaren en keukengerei was uitgestald. Het is niet verwonderlijk dat zeventiendeeeuwse Hollandse en Vlaamse stillevenschilderkunst hem tot inspiratie en voorbeeld diende. Van Leeuwen verdiept zich in het algemeen grondig in de onderwerpen die hij thematiseert alvorens hij tot de werkelijke uitvoering overgaat. De geschiedenis van de beeldende kunst en de fotografie vormen daarbij een geliefd onderwerp van studie en inspiratie. Van Leeuwen is er geenszins op uit om met fotografische middelen moderne versies van oude schilderstukken te vervaardigen. Zijn fotobeelden zijn op te vatten als een eerbetoon. Aan het werk van door hem bewonderde meesters als Adriaan Coorte, Willem Claesz. Heda en Joachim Beuckelaer ontleent hij slechts beeldelementen of compositieschema's die hem van pas komen.

De laatste jaren toont Van Leeuwen een wel zeer opmerkelijke belangstelling voor citroen en vis, twee thema's die hij in de vorm van specifieke projecten heeft uitgewerkt. Voor wat betreft de citroen is Van Leeuwen thuisgeraakt in de iconografie en typologie van de (geschilde) citroen in het stilleven uit heden en verleden. Als een maniak speurt hij in kunstboeken naar afbeeldingen van in het bijzonder de Hollandse en Vlaamse stillevenschilderkunst uit de zestiende en zeventiende eeuw. Een geschikt model imiteert hij door een soortgelijke citroen te schillen en de schil op identieke wijze te laten krullen. Zijn aandacht gaat hoofdzakelijk uit naar formele aspecten als compositie, kleurstelling en licht. Voor een geschenk aan het gemeentebestuur ter gelegenheid van het zevenhonderdvijtigjarig bestaan van Haarlem heeft Van Leeuwen vijf afzonderlijke citroenen naar voorbeelden van Willem Claesz. Heda volgens een compositieschema van Frans Hals opgesteld als waren zij de kopstukken van een regentenstuk.

Van Leeuwen is weliswaar bekend met de symboliek die aan de zeventiende-eeuwse stillevenschilderkunst wordt toegeschreven, maar hij is er niet op uit deze nieuw leven in te blazen. Zijn fascinatie voor de citroen, vis en andere spijzen gaat evenwel ook niet voorbij aan de bijbetekenissen die heden ten dage nog bekend zijn, zoals bijvoorbeeld Vanitas en maagdelijkheid. Het werk van Van Leeuwen kent talloze verwijzingen, maar dat gaat niet altijd gepaard met de bedoeling hogere waarden of diepere gedachten aan de orde te stellen.

Van Leeuwen was en is altijd op zoek naar eigenzinnige toepassingen en originele zienswijzen van de fotografie in het algemeen, en van al datgene dat hij voor het oog van de camera construeert in het bijzonder. Door te experimenteren met opnametechnieken en presentatievormen voegt hij een aantal dimensies toe aan de fotografie als vorm van beeldende kunst. De foto-objecten bijvoorbeeld die hij maakte vanaf het begin van de jaren zeventig tot begin jaren tachtig, waren gebaseerd op het idee dat de ruimtelijke vorm van een voorwerp is te reconstrueren met behulp van foto's. Door het voorwerp op verkleinde schaal na te bootsen en te beplakken met de fotografische afbeelding van dat voorwerp, maakt Van Leeuwen gebruik van een speelse vorm van optisch bedrog.

In de vele stillevens die Van Leeuwen in de loop der jaren heeft gemaakt, vormen etenswaar en culinaire benodigdheden vaak de hoofdcomponenten. Hij heeft zich bekwaamd in het transformeren van etenswaren tot bouwstenen van stillevens. In de fictieve wereld die Van Leeuwen voor het oog van de camera schept, krijgen aardappels een antropomorf voorkomen, figureren 'zeventiende-eeuwse' citroentjes in hedendaagse decors en nemen komkommers voor de gelegenheid de rol van wolkenkrabber op zich. Wat dat betreft vormen zijn fotografische bezigheden voor het viskookboek Vis. Spelen met vuur een van de meest karakteristieke projecten die hij in de loop der jaren heeft gedaan. Chef-kok Robert Kranenborg van het Haagse hotel-restaurant Corona vertrouwde Van Leeuwen de opdracht toe om de recepten van foto-illustraties te voorzien. De foto's die Van Leeuwen uiteindelijk voor dit boek maakte, getuigen van originaliteit, durf en fantasie. In de meeste kookboeken worden gerechten gewoonlijk met veel opsmuk, maar weinig fantasie gefotografeerd. Van Leeuwen echter arrangeerde de ingrediënten van elk gerecht zorgvuldig tot moderne stillevens waarin de verse vis zelfde hoofdrol speelt. Veel van de opgenomen foto's dragen verwijzingen in zich, soms naar de kunstgeschiedenis, dan weer naar hedendaagse trivialiteiten.

In het ene geval ontstond de foto vanuit een vooropgesteld idee, in het andere geval was het een toevallige associatie of een treffend, maar onverwacht samengaan van elementen die het uiteindelijke beeldresultaat bepaalden. Van Leeuwen bedreef hiermee volgens eigen zeggen 'culinair-kritische' fotografie.

Van Leeuwen maakt niet alleen gebruik van bederfelijk materiaal bij de vervaardiging van stillevens. Rest- en afvalmaterialen, onderdelen, huisraad en prullaria verzamelt hij voor dit doel en van deze voorraad 'rommel' maakt hij regelmatig gebruik.

Van Leeuwen heeft zich in talloze experimenten regelmatig op het grensgebied van de fotografie begeven. Het begrip 'schrijven met licht' wordt door hem dan ook ruim opgevat. Vanaf de jaren zeventig voerde hij experimenten uit met de directe inwerking van licht op fotopapier, dus zonder tussenkomst van een camera. Deze experimenten beperkten zich niet alleen tot de doka, want ook ontruimde vertrekken werden gebruikt om met meterslang fotopapier uit de voeten te kunnen. In een verduisterde ruimte omwikkelde hij zichzelf, verpakte huisraad of omhulde taps toelopende zuilen met meterslange stroken fotopapier om vervolgens kort het licht aan te doen. Grillige, haast abstracte lichtbanen tekenden zich af op de plaatsen waar het contact tussen het fotopapier en materie de belichting had tegengehouden. Aan de hand van de beeldresultaten kan het fotografisch proces als het ware visueel worden geanalyseerd. Hetzelfde geldt voor het principe van de camera obscura. Hij paste dit principe toe door in de tussenmuur van twee nevenliggende atelierruimten zowel een horizontale als verticale kier uit te zagen. In de ene ruimte belichtte hij kort een naakt vrouwelijk model, waardoor haar portret in de nevenruimte op een groot gespannen vel fotolinnen ten voeten uit kon worden vastgelegd. De afbeeldingen kregen respectievelijk een breed (horizontaal) en een smal (verticaal) voorkomen. Bij de belichting door de kruisvorm bleef de afbeelding gelijkmatig van 'opbouw'.

Van Leeuwen begon in de jaren zeventig te werken met een van de eerst verkrijgbare kopieerapparaten, waarvan de werking berust op elektrostatische overdracht. Kort daarna schafte hij een kleuren-kopieerapparaat aan (type: Mita met vloeibare toners voor zink-oxydepapier). Hiermee kopieerde hij bestaande foto's of zorgvuldig op het glazen kopieervlak gearrangeerde voorwerpen. De apparatuur stelde hem bovendien in staat kleur te manipuleren en het afgebeelde een andere materiële kwaliteit te verlenen. Niet zelden liet hij een afdruk van het kopieerapparaat als uiteindelijk kunstwerk gelden.

Een deel van de fotowerken van Van Leeuwen komt tot stand zonder gebruikmaking van de standaarduitrusting van camera met negatieffilm. De methoden van de camera obscura, de kopieermachine, de polaroidcamera en het fotogram resulteren in een rechtstreekse afbeelding. De zwart-wit fotogrammen, gemaakt met behulp van blisterverpakking (semi-transparant plastic verpakkingsmateriaal van alledaagse gebruiksartikelen) die tussen lichtbron en fotopapier zijn gelegd, vormen in formele zin de sobere tegenhangers van veel van zijn kleurrijke en soms spectaculaire ensceneringen. Het fotopapier wordt door dit materiaal heen belicht. Na belichting heeft de plastische vorm van de blisterverpakking zich op het vlakke fotopapier afgedrukt. Omdat de vorm reminiscent is aan de voormalige inhoud (lampen, keukengerei, bonbons etc.) laat deze zich soms moeilijk raden, maar daar is het Van Leeuwen dan ook niet om te doen. Integendeel, de beeldende kwaliteiten spreken voldoende voor zichzelf.

Van Leeuwen heeft met verschillende camera's gewerkt. Eindjaren zestig, begin jaren zeventig, maakte hij gebruik van een Cambo 4x5 inch, een Agfa-clack 6x9, een Rolleiflex 6x6, diverse kleinbeeldcamera's, een Kodak Disc (een zeer klein negatiefformaat, waarbij een grote scherptediepte kan worden bereikt), een Brooks Veriwide met negatiefformaat 6x9, een superpolaroid met formaat 50x65 cm en een Topcon RE Super, de eerste spiegelreflexcamera met lichtmeting door de lens. Naar deze laatste camera noemde hij zijn eerste tentoonstelling bij galerie Lantaren/Venster in Rotterdam die de titel Het geheim van de Topcon meekreeg. De tentoonstelling bestond uit opnamen van losse onderdelen van de camera, die hij had gedemonteerd. Ook nu nog neemt hij deze camera met hetzelfde gemak en enthousiasme regelmatig ter hand. De laatste vijftien jaar fotografeert hij voornamelijk met de kleinbeeld Nikon F2.

In de werkwijze van Piet van Leeuwen schikken vorm en stijl zich voortdurend naar zijn creativiteit en vindingrijkheid. Hierdoor is zelden sprake van maniërisme of gestileerdheid. Van Leeuwen drijft graag de spot met de geconditioneerde begripsbepaling in de kunst. De humoristische ondertoon in zijn werk relativeert de zwaarwichtigheid waarmee de kunsten zich in het algemeen omgeven. Hoewel Van Leeuwen die betekenis er nooit doelbewust in heeft willen leggen, zou men sommige aspecten van zijn werk tegenwoordig als 'camp' kunnen kwalificeren. Zijn werk toont in belangrijke mate het enorme potentieel van de fotografie als expressieve vorm van beeldende kunst.