Fotolexicon, 10e jaargang, nr. 22 (oktober 1993) (nl)Hans Rooseboom: Godfried de Groot

To refer to this article use this url: http://journal.depthoffield.eu/vol10/nr22/f01nl/en

Beschouwing

Godfried de Groot behoorde tot de laatste ouderwetse 'patroons' van een atelier waar voornamelijk portretten werden gemaakt. Hij was een bevlogen fotograaf die hard werkte, een 'artist' met bijbehorende nukken en een overwegend vriendelijk man. Was hij jegens zijn klanten voorkomend, tegen zijn personeel kon hij incidenteel flink uitvallen. De Groot had een joyeuze levensstijl en was een welgestelde estheet. Fotografie, paardrijden, antiek en zijn villa en tuin in Naarden waren zijn voornaamste interessen. Mogelijk was hij meer thuis in de nichtencultuur dan in het fotografenwereldje.

Voordat hij zich zelfstandig vestigde, assisteerde Godfried de Groot tussen 1908 en 1922 verschillende fotografen. Er is niet veel bekend over zijn leerperiode bij S. Dijkstra (Den Helder), Pierre Weynen (Den Bosch), Hartmann (Bad Nauheim) en Bernhard Jacobs (Amsterdam). De bekendste van De Groots leermeesters, de Amsterdammer Frits Geveke, was een bekwame maar weinig originele portretfotograaf. De Groot heeft vermoedelijk tussen 1917 en 1921 bij hem gewerkt. Geveke fotografeerde veel acteurs en actrices en naar verluidt heeft De Groot een deel van de acteurscliëntèle 'meegenomen' toen hij zich zelfstandig vestigde.

In 1922 of 1923 opende Godfried de Groot een atelier aan de Amstellaan (tegenwoordig Vrijheidslaan) 64-III, waar zijn moeder en zuster Betsy sinds enige tijd woonden. De Groot heeft de laatste vaak als model gebruikt, tot zij in 1925 naar Nederlands-Indië vertrok.

In 1925 verhuisde De Groot naar het ernaast gelegen pand nummer 66. Achter het huis liet hij een tuinhuis bouwen waar hij een daglichtatelier inrichtte. Een van de achterkamers van het huis fungeerde als ontvangstkamer; twee ramen aan de straatzijde gebruikte hij voor het etaleren van zijn foto's.

In 1928 kocht hij, mede op aanraden van zijn vriend Piet Bakker, het pand Jan Luykenstraat 2a, gelegen tegenover een zijgevel van het Rijksmuseum. Het huis was, net als het belendende nummer 2, kort voor de eeuwwisseling ontworpen door Ed Cuypers, die tot zijn overlijden in 1927 zijn woning en architectenbureau had gevestigd in de twee panden. De Groot was na zijn verhuizing gevestigd in een buurt 'op stand' en is er tot zijn overlijden in 1963 gebleven.

Het pand Jan Luykenstraat 2a, waar Godfried de Groot aanvankelijk niet alleen zijn atelier had maar ook woonde, was chic ingericht. Het was duidelijk op welk publiek hij mikte. De Groot hield niet slechts van mooie antieke voorwerpen, deze dienden tevens de klanten te imponeren. Er werd in de regel op afspraak gefotografeerd. Een huisknecht opende de deur en deed ook karweitjes in huis, zoals het bereiden van de lunch voor De Groot en - later - Jan Wieling, die sinds circa 1936 De Groots levenspartner was en de zakelijke kant van het bedrijf waarnam. Op de begane grond, rechts van de hal, bevond zich de ontvangstruimte, ingericht met onder andere antiek en een aantal mooie foto's.

Het atelier bevond zich op de eerste etage. Om er te komen nam men de elektrische lift of de trap. De laatste lijkt het meest gebruikt te zijn en gaf door de aanwezigheid van foto's en antiek - in ieder geval meer gelegenheid om de klanten onder de indruk te laten geraken. Aanvankelijk was de gehele eerste etage als atelier in gebruik. Vanaf het einde van de jaren dertig, toen De Groot in Naarden ging wonen, was de voorkamer op deze etage echter ingericht als pied-à-terre.

Godfried de Groot heeft bijna uitsluitend in zijn atelier gefotografeerd, waar hij verlichting en achtergrond onder controle had. In het atelier aan de Jan Luykenstraat ging hij van daglicht over op kunstlicht. Hij maakte gebruik van onder andere een paar grote rechthoekige blokken en een kwartcirkelvormige verhoging met enkele treden. Door de mensen tegen een blok te laten leunen of hen erop te laten zitten konden zij zich nog gemakkelijk bewegen en 'herschikken'. Stijve, ongemakkelijke poses werden zo voorkomen. De Groot had het talent om mensen op hun gemak te stellen. Hij behandelde hen met alle egards en was vlot in de omgang. Vooral met vrouwen kon hij goed overweg. Zij vielen, zo schijnt het, nogal eens voor zijn charme. Hij maakte complimentjes, gaf hen het gevoel mooi te zijn en kon tijdens het fotograferen zelf in vervoering raken. Ongetwijfeld was bij dat laatste wel eens sprake van enig toneelspel, maar het enthousiasme was vaak oprecht. Godfried de Groot hield van mensen en fotografeerde hen bij voorkeur op hun mooist. Hans Dukkers haalde in een in-memoriam-artikel een uitspraak van De Groot aan: "Ik maak foto's die een vrouw aan haar man of aan haar vriend kan geven - ik fotografeer vrouwen zó als mannen haar willen zien, misschien wel iets mooier dan zij zijn in werkelijkheid, maar, naar ik hoop, toch ongekunsteld. Ik fotografeer met m'n hart en, net als een psychiater, ben ik misschien wel even verliefd op die vrouw als zij voor mijn lens staat." Was de zitter een goed model en was De Groot enthousiast, dan kon de sessie gemakkelijk een uur duren.

Niet alleen vóór maar ook tijdens het fotograferen stelde De Groot zijn klanten op hun gemak - vooral door te praten. Terwijl hij verlichting en camera instelde en de zitter regisseerde, ging het gesprek gewoon door. Hij bediende de sluiter van afstand met een rubberen bal aan een slang, zodat de geportretteerde het moment van de opname niet altijd zag aankomen.

Godfried de Groot heeft - naast enige mode- en reclamefoto's - alleen portretten gemaakt. Hij richtte zich op een welgestelde cliëntèle die het zich kon veroorloven om een met zorg gemaakt portret te laten vervaardigen tegen een navenante prijs. Hij heeft gedurende zijn gehele carrière een groot aantal bekende personen voor de lens gehad, onder wie vooral veel acteurs, maar ook dansers, musici, schrijvers, de burgemeester van Amsterdam dr. W. de Vlugt, de directeur van het Rijksmuseum dr. F. Schmidt-Degener en koningin Wilhelmina.

Zijn flatteuze, soms glamoureuze portretten staan in de traditie van het picturalisme: mooie, met zorg uitgevoerde portretten. De Groot behoorde, net als Franz Ziegler, Willem Coret en Hanna Elkan, tot een jongere generatie van picturalistische fotografen. Hoezeer de stijl en werkwijze van deze groep fotografen ook verwant zijn, de foto's van De Groot laten zich in veel gevallen herkennen door het zorgvuldig gebruik van lichtval en pose. De invloed van filmsterrenportretten op Godfried de Groots werk is onmiskenbaar. Zijn foto's tonen overeenkomsten met de Duitse glamourfoto's die voor de Tweede Wereldoorlog in grote aantallen werden gepubliceerd in een tijdschrift als Cinema & Theater.

Op circa driekwart van zijn foto's heeft Godfried de Groot gebruik gemaakt van een klein 'stilistisch vocabulaire' dat als volgt is samengesteld. Het licht valt op één of twee schouders, op de zijkant (meestal de linker) van het gezicht, op de kam van de neus, het haar, soms ook op het oor. Bij mannen is het witte boordje meestal het lichtste deel van de foto, bij vrouwen licht het halssieraad nogal eens onscherp op. De Groot fotografeerde vaak schuin van opzij en liet het hoofd meestal draaien ten opzichte van de romp. Portretten en profil zijn in de minderheid. Er wordt zelden gelachen of in de lens gekeken. De tint van gezicht, haar en kleding contrasteert vaak met die van de achtergrond. De Groot varieerde voortdurend met combinaties van deze 'ingrediënten' zodat geen enkel portret precies gelijk is.

De zo nu en dan voorkomende diagonale plaatsing van gezicht en lichaam in het beeld verraadt enige invloed van de Nieuwe Fotografie. Door de onscherpte en de flattering behoort De Groot echter meer tot de daaraan voorafgaande picturalistische richting. Hij kan hoogstens een overgangsfiguur worden genoemd.

Na de Tweede Wereldoorlog trad een kleine verandering in De Groots wijze van fotograferen op. Hij lijkt de soft-focuslens vanaf die tijd nog maar weinig te hebben gebruikt en ging meer aandacht schenken aan de verdeling van grote partijen licht en donker. De naoorlogse foto's zijn weliswaar niet gestoken scherp maar doen - van enige afstand bezien - wel scherp aan. Op het negatief ingeschilderde achtergronden lijken na de oorlog te ontbreken. Als achtergrond gebruikte hij nu af en toe folie of rieten matten die onscherp oplichtten. Ook projecteerde hij zo nu en dan schaduwen op de achtergrond. Terwijl het lang gebruikelijk was om acteurs in toneelkleding een scène te laten uitbeelden, maakte De Groot bijna altijd portretten van hen. Er is daardoor geen wezenlijk onderscheid tussen de portretten van bekende en niet-bekende personen. Dansers fotografeerde hij daarentegen wel vaak in een danshouding. Hij maakte weinig gebruik van attributen.

Van de naaktfoto's, die hij in grote aantallen heeft gemaakt, zijn maar weinig voorbeelden bewaard gebleven. Een deel ervan was, getuige de mémoires van een mannelijk model uit de jaren dertig, beslist niet voor publicatie bestemd. Andere waren decent genoeg om naar tentoonstellingen ingezonden te kunnen worden.

De Groot heeft tot het einde toe een grote houten ateliercamera gebruikt. In een bespreking van een foto in een nummer van Cosmorama uit 1937 wordt gesproken van een 18xß24 camera, een Perscheid 5.5/60 cm objectief en het gebruik van zeven gloeilampen van 500 Watt elk. Een belichtingsmeter en vaste tijdsinstellingen van de sluiter gebruikte hij niet; hij 'wist' hoe lang een vijfde van een seconde duurde.

Zijn donkere kamer was klein en spaarzaam ingericht. De Groot drukte in de regel zelf af. Hij mocht dan niet erg theoretisch geschoold zijn, hij beheerste wel alle foefjes van het vak. Zijn assistenten hielpen zo nu en dan bij het instellen van het licht of bij het afdrukken. Vooral echter zorgden zij voor de afwerking: het spoelen, drogen, glanzen, retoucheren, opzetten en inlijsten van de foto's. De Groot liet zeer lang (tot anderhalf uur) spoelen om de houdbaarheid van de foto's te vergroten. De afwerking vond plaats in een werkplaats op de begane grond, achter de ontvangstruimte.

Gewoonlijk werd een drietal "ongeretoucheerde proeven" gemaakt die aan de klant werden getoond. Deze deed een keuze, waarna de definitieve afdrukken werden gemaakt. In de eerste jaren van zijn carrière heeft De Groot in kooldruk en in andere edele procédés gewerkt, daarna niet meer. Hij drukte voornamelijk op bromidepapier af en maakte daarbij gebruik van enkele bijzondere papieren zoals het fluweelachtige Gevaluxe Velours en het groen getinte Gevaert Verdex.

Godfried de Groot hield van mooie, flatteuze portretten. De danser Tony Raedt schreef achterop een tussen 1942 en 1947 door De Groot gemaakte foto: "Hier ben ik in een dans met Mascha [ter Weeme] m'n partner. Jammer is dat we in werkelijkheid 6x zoo oud zijn, en 12x zoo lelijk." Raedt overdreef natuurlijk, maar er werd na het maken van de opnamen gewoonlijk het een en ander geretoucheerd, zowel op het negatief als op de afdruk. Gezicht, hals, nek, armen en handen werden vaak iets slanker gemaakt, wimpers werden soms ingetekend, pupillen, wenkbrauwen en sieraden geaccentueerd. Kleine oneffenheden van de huid werden door retouche verhuld. Bovendien werd de achtergrond op de foto's voor de Tweede Wereldoorlog geregeld verlevendigd door nonchalant aandoende abstracte vegen aan te brengen op het negatief.

Het is niet bekend hoe groot het aantal opnamen is dat De Groot in zijn veertigjarige loopbaan heeft gemaakt. Het moeten er enkele tienduizenden zijn geweest. Uit een lijst met de namen van door hem tussen medio 1941 en medio 1944 gefotografeerde personen en bijbehorende negatiefnummers kan worden opgemaakt dat hij in deze periode circa 150 negatieven per maand maakte. De negatiefnummers op deze lijst lopen van 22.330 (een portret van collega-fotografe Hanna Elkan) tot 27.495. Godfried de Groot, begonnen met niets, is welgesteld geworden. Hij was niet goedkoop, herinneren zitters zich. Desondanks 'lokte' de kwaliteit die hij leverde en zijn klantenkring van 'bekende Nederlanders' ook veel mensen voor wie een foto van De Groot een hele uitgave was.

Een groep die waarschijnlijk maar zelden hoefde te betalen was die van acteurs en andere kunstenaars. De Groot zal hun klandizie als goede reclame hebben beschouwd. Er is ongetwijfeld strijd om hen geleverd tussen De Groot en zijn concurrent Jacob Merkelbach. Artiesten gebruikten op hun beurt De Groots portretten als reclamemateriaal. Behalve in het portiek van het pand in de Jan Luykenstraat had De Groot ook een uitstalkast op de hoek van de Hobbemastraat en de Vossiusstraat. Een tijd lang heeft er ook op het Leidseplein een zuil gestaan waar De Groot foto's kon tonen. Deze locatie was ongetwijfeld mede ingegeven door de nabijheid van het atelier van Merkelbach.

De Groot heeft aan diverse kranten en tijdschriften geleverd. Van geen enkel tijdschrift was hij vaste fotograaf of de voornaamste leverancier. Programmaboekjes van gezelschappen werden geregeld met foto's van De Groot geïllustreerd.

Een hoogtepunt van De Groots carrière was zonder twijfel de opdracht tot het maken van een aantal staatsieportretten van koningin Wilhelmina in 1937. Een dergelijke opdracht was een eer, zij het - door de plechtigheid - een lastige. De wijze waarop De Groot zijn zitters gewoonlijk op hun gemak stelde, het maken van een praatje, kwam nu niet te pas.

Het contract dat voor de sessie werd opgemaakt tussen het hof en De Groot bepaalde onder andere dat hij drie goedgekeurde portretten onder enkele voorwaarden naar eigen inzicht en in eigen beheer mocht verspreiden. Maanden lang heeft hij grote aantallen afdrukken gemaakt die op allerlei plaatsen hebben gehangen. De portretten zijn bovendien bij verschillende uitgevers in druk verschenen.

De opdracht schijnt De Groot een klein fortuin te hebben opgeleverd. Naar eigen zeggen heeft hij van de opbrengst villa De Eickenhorst aan de Meentweg in Naarden kunnen laten bouwen waar hij tot zijn dood met Jan Wieling heeft gewoond.

Na in 1938 nog twee groepsportretten met de koningin te hebben gemaakt, heeft De Groot het predikaat hoffotograaf aangevraagd. Het was gebruikelijk dat een dergelijke aanvraag na bewezen diensten werd gehonoreerd. In dit geval is er iets misgegaan. De Amsterdamse burgemeester, dr. W. de Vlugt, heeft De Groots aanvraag om onbekende persoonlijke redenen niet willen ondersteunen, waarna de hofcommissie besloot het predikaat niet toe te kennen. De passe-partouts en fotomapjes met het voorgedrukte opschrift 'hoffotograaf bleken voorbarig.

Het is niet duidelijk of De Groot de nominale eer van het predikaat heeft gewenst of dat hij Franz Ziegler de facto als hoffotograaf hoopte op te volgen. Toen Ziegler eind 1939 plotseling overleed, was het voor De Groot - zo hij een tweede kans had gekregen - in ieder geval te laat. Spoedig brak de oorlog uit en toen die was afgelopen had zijn maatschappelijk aanzien zo'n grote deuk opgelopen dat hij voorgoed kansloos was voor deze positie.

Het is niet meer met zekerheid vast te stellen in welke mate Godfried de Groot 'fout' is geweest in de Tweede Wereldoorlog. De bewaard gebleven documenten geven hierover onvoldoende uitsluitsel. Het staat vast dat hij lid is geweest van de NSB. In het dossier dat is aangelegd na de arrestatie van De Groot op 16 juli 1945 door de Politieke Opsporingsdienst op verdenking van lidmaatschap van de NSB zijn - door hemzelf en door anderen - verschillende motieven voor dat lidmaatschap aangevoerd: angst voor vervolging wegens zijn homoseksualiteit, dekmantel voor illegale activiteiten (o.a. het maken van pasfoto's en het verbergen van onderduikers) en de verkoop van portretten van koningin Wilhelmina. Politieke naïveteit en gebrek aan karakter kunnen ook redenen zijn geweest. Evenmin als het motief van zijn toetreding is de reden van zijn royement als NSB-lid met zekerheid bekend. Op zeker moment verscheen het volgende berichtje in Volk en Vaderland: "Door den Secretaris-Generaal is ontslagen als lid der Beweging Gottfr. de Groot, Jan Luykenstraat 2a, stamboeknummer 135475. Dit ontslag geschiedt op grond van redenen, die het behoud van het lidmaatschap ongewenscht maken". Naar eigen zeggen werd hij geroyeerd doordat hij weigerde aan de Fotodienst van de NSB te leveren.

Na zijn arrestatie door de Politieke Opsporingsdienst heeft De Groot bijna een jaar lang, tot in juni 1946, in het 'Interneeringskamp Weeshuis-Kazerne' en het 'Centraal Bewarings- en Verblijfskamp Laren (N.H.)' vastgezeten. Hij behoorde tot de vele duizenden voormalige NSB-ers die geïnterneerd werden. Eén factor heeft De Groots zaak mogelijk gecompliceerd. Vóór de oorlog had hij gedurende lange tijd een relatie met Piet Bakker. Deze was bovendien sinds 1929 zijn procuratiehouder. Bakker werd in december 1939 gearresteerd wegens overtreding van Nederlands neutraliteit: vanuit Schiebroek had hij per radio berichten over weer en bodemgesteldheid naar Duitsland verzonden. Hij werd tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hiervan had hij slechts een klein deel uitgezeten toen Nederland door de Duitsers werd bezet en Bakker door hen werd vrijgelaten. Na de bevrijding werd hij weer gezocht. Aangezien De Groot ook na mei 1940 nog contact met hem had gehad, hoopten de Nederlandse autoriteiten Bakker mogelijk via De Groot op te kunnen sporen. Dit is nooit gelukt en Bakker is - voor zover bekend - nooit naar Nederland teruggekeerd.

Op 8 juni 1946 werd Godfried de Groot door de procureur-fiscaal voorwaardelijk buiten rechtsvervolging gesteld om niet nader genoemde redenen en onder toezicht geplaatst van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten. Hij moest ƒ 150,- betalen, kreeg een proeftijd van drie jaar en werd uit een aantal burgerrechten ontzet. Zijn vermogen (als 'vijandelijk' of NSB-vermogen beschouwd) was tijdens zijn internering onder de hoede van het Nederlands Beheersinstituut gesteld. Verschillende fotografen en een fotopersbureau deden na de arrestatie van De Groot het verzoek het atelier te mogen beheren. Volksherstel stelde voor om de door de oorlog gedupeerde Hanna Elkan als bedrijfsleidster aan te stellen. Het Beheersinstituut benoemde echter per 4 september 1945 mr. Arnold Eysvogel (geen fotograaf) tot beheerder. In diezelfde maand werd het atelier heropend, nadat het in de loop van 1944 wegens gebrek aan elektriciteit was gesloten. Een assistent en een leerling-assistent deden het werk.

Drie maanden nadat De Groot voorwaardelijk buiten rechtsvervolging was gesteld, werd het beheer door het Nederlands Beheersinstituut - in casu mr. Eysvogel - opgeheven. De procuratie die De Groot ooit aan Piet Bakker had verleend verviel per 1 januari 1947. Vanaf die datum werd het atelier door De Groot en Wieling voortgezet als een vennootschap onder firma. Ruim twee jaar later werd de vennootschap ontbonden en zette De Groot het bedrijf alleen voort. Later is Wieling opnieuw compagnon geworden. De portretfotografie mocht dan vóór en vooral na de Tweede Wereldoorlog een neergang beleven - de fotografietijdschriften toonden zich bezorgd -, De Groot heeft zich nauwelijks op ander gebied (hoeven) begeven. Was beroepsfotografie tot de Tweede Wereldoorlog voornamelijk portretfotografie, na de oorlog was er een ruimer scala aan onderwerpen: mode, reclame en reportage. De Groot heeft zich met portretfotografie staande kunnen houden. Tot kort voor zijn ziekte, die zich rond 1960 openbaarde, was er geen sprake van vergane glorie in het atelier: particulieren en bekende personen vonden nog steeds de weg naar het atelier in de Jan Luykenstraat. De esthetische en flatteuze stijl van De Groot was na de oorlog verre van modern. De naoorlogse fotografengeneratie zocht niet langer 'het mooie plaatje'. De meeste van de aan De Groot verwante fotografen: Henri Berssenbrugge, Francis Kramer, Jacob Merkelbach, Franz Ziegler, Bernard Eilers en Frits Geveke, waren in de jaren rond de Tweede Wereldoorlog overleden of gestopt. Na de oorlog werden acteurs meestal op locatie gefotografeerd, onder andere door de leden van de Particam-groep en door Lemaire & Wennink. De Groot daarentegen bleef in zijn atelier. In zijn spaarzame modefoto's lijkt hij meer bij de tijd te zijn geweest. De meeste ervan tonen het model ten voeten uit tegen een egaal witte achtergrond, die slechts verlevendigd wordt door een sierlijke schaduw. Godfried de Groot was vanaf 1928 lid van de Nederlandse Fotografen Patroons Vereniging, maar van een actieve rol in deze vereniging is niets bekend. Van de Nederlandse Fotografen Kunstkring werd hij pas bij de reorganisatie in 1949 lid. Ook hierin heeft hij zich niet opvallend gemanifesteerd. Hij slaagde er niet in binnen vijf jaar het kernlidmaatschap te behalen, zodat hij van de ledenlijst werd afgevoerd. Nog tijdens De Groots lidmaatschap van de NFK schreef Godfried Bomans een stuk over vroegere en moderne portretfotografie. Tot verbazing van enkele NFK-leden noemde hij uitgerekend Godfried de Groot als voorbeeld van moderne portretfotografie. Die gold in de NFK helemaal niet als modern. Volgens Willy Schurman paste De Groots "valse romantiek" niet bij de vereniging.

In de loop der jaren heeft een groot aantal assistenten bij Godfried de Groot gewerkt. Vermoedelijk werkten er in de hoogtijdagen, vlak voor de oorlog, gelijktijdig ongeveer tien personen voor hem, inclusief huisknecht en receptioniste. Tot de bekendste leerlingen van De Groot behoren Willy Schurman, Cor van Weele en Eddy Posthuma de Boer. Ook de jongste zuster van Franz Ziegler heeft bij De Groot gewerkt. Dat Tony Armstrong- Jones, First Earl of Snowdon, assistent is geweest van De Groot, moet tot de legendes gerekend worden. Lord Snowdon ontkent althans De Groot zelfs maar ontmoet te hebben. In het werk van zijn voormalige assistent Willy Schurman is de invloed van De Groot nog te zien. Dat Peter Selby, die het atelier kort voor het overlijden van De Groot overnam, diens stijl voortzette, moet vooral toegeschreven worden aan zakelijke overwegingen. Al raakte Godfried de Groot na zijn dood in de vergetelheid - zelfs iets ogenschijnlijk eenvoudigs als zijn overlijdensjaar was lange tijd niet met zekerheid bekend -, zijn naam bleef bekend. De legendevorming rond zijn persoon, zoals de verdwijning van het archief, getuigt daarvan.

Na een lang ziekbed is De Groot op 2 juni 1963 aan kanker overleden. Kort daarvoor was het atelier verkocht aan Colour Applications Ltd. Deze Engelse firma hield zich niet alleen met fotografie bezig maar bewoog zich op een zeer ruim gebied. Peter Selby trad als beheerder van het nieuwe Amsterdamse filiaal van de firma op. Hij richtte zich vooral op mode- en reclamefotografie in kleur. De portretten werden nu door Theo Teuwen gemaakt in een tweede atelier, ingericht in de voormalige ontvangstruimte. Teuwen had Godfried de Groot al vervangen tijdens diens ziekte. Hij bleef tot in 1965 het portretwerk doen in De Groots stijl.

Het atelier behield de naam van Godfried de Groot en zo werd ook een deel van de foto's gesigneerd. De namen Peter Selby en Colour Applications zijn ook op een aantal artiestenportretten te vinden. In 1971 werd het inmiddels naar de Prinsengracht verhuisde atelier opgeheven.

Selby heeft het omvangrijke archief naar eigen zeggen laten vernietigen toen hij het atelier opgaf en niemand interesse toonde in overname van de negatieven en foto's. Daardoor is maar een klein gedeelte van het werk van Godfried de Groot bewaard gebleven.